Onder zeer vochtige omstandigheden voelt de varenrouwmuglarve zich op zijn best. Ze kunnen echter een periode van droogte ook prima overleven. Een continue produktie van planten, waarbij voortdurend jong plantmateriaal in vers groeimedium in de kas wordt bijgeplaatst houdt de aantallen varenrouwmuggen hoog en is ideaal voor de ontwikkeling van de populatie in de kas. Bij de teelt van orchideeën zijn de omstandigheden optimaal voor varenrouwmuggen; het is warm, vochtig en er wordt geteeld op een luchtig substraat. De varenrouwmuglarven zullen bij deze omstandigheden veel schade aan de zachte groene wortelpunten en haarwortels van de orchideeën veroorzaken. Hierdoor ontstaan wonden, waarna een secundaire infectie door bijvoorbeeld schimmels kan optreden. De larven zijn in staat om sporen van bodemschimmels zoals bijvoorbeeld Verticillium spp., Pythium spp., Cylindrocladium spp., of Thielaviopsis spp. over te brengen. Bovendien wordt de groei en de ontwikkeling van de plant geremd doordat de wortelpunten worden aangevreten. Met name jong plantmateriaal en verzwakte planten zullen verder verzwakken, verwelken en in ernstige gevallen sterven doordat de wortels van de planten geen water en voedingsstoffen op kunnen nemen. Het is goed mogelijk dat de eieren, larven of poppen van de varenrouwmuggen al in het substraat (bark, kokos of andersoortig natuurprodukt) aanwezig zijn voor de teelt feitelijk gestart is. Echter de schade kan ernstiger uitpakken wanneer het substraat voor de teelt is gesteriliseerd, doordat het totale evenwicht in het substraat dan wegvalt en de varenrouwmuggen in het substraat "vrij spel" krijgen.
Uiteindelijk ontwikkelen de larven zich in een pop. De verpopping vindt plaats in de grond. De poppen zijn bruingrijs van kleur en zijn 3 tot 6 mm groot. De poppen komen na 4 tot 8 dagen uit en worden een volwassen varenrouwmuglarve. Een eenvoudige methode om de larven op te sporen is het uitleggen van kleine aardappelplakjes (1x1x0,5 cm). Deze aardappelplakjes dienen dan op het oppervlak van het substraat of potgrond worden gelegd. De aardappelplakjes moeten gedurende 4 uur onaangeroerd blijven liggen. Vervolgens kunnen de larven geteld worden op en onder de aardappelplakjes. Met dit simpele testje kan worden bepaald waar de larven zich ontwikkelen en of een bestrijding heeft gewerkt.