De frequentie van monstername is afhankelijk van de stabiliteit van de bron. De tuinder wordt tevens geacht om de EC en de pH in de gaten te houden. Wanneer de EC en/of de pH veranderen is het nodig om een analyse uit te voeren.
Algemene regels voor de frequentie van uitgangswateranalyse
Bepaling van de geschiktheid voor diverse tuinbouwkundige toepassingen.
Bepaling van de pH en het bicarbonaatgehalte (HCO3) voor een optimale pH-sturing van de voedingsoplossing en het wortelmilieu.
Voedingsstoffen in het water dragen bij aan de benodigde hoeveelheid voedingsstoffen en zijn daarom belangrijk als basis voor het berekenen van het mestrecept.
Regelmatige controle van het drain- en/of matwater ter voorkoming van tekort of overmaat in het wortelmilieu.
Regelmatige aanpassingen van het mestrecept om fluctuaties in opname door het gewas op te vangen en voedingsstatus van het wortelmilieu op peil te houden.
Bepaling van de toegediende voedingsoplossing ter controle.
Bronwater
gebruikelijk wordt 2-3 maal per jaar een analyse uitgevoerd.
Regenwater
Analyse van het water is noodzakelijk, zeker wanneer het regenwater wordt opgevangen in gegalvaniseerde goten (Het water kan zink bevatten).
Bij elke analyse van grond of substraat monsters dient tevens een monster van het uitgangswater gevoegd te worden.
Vaak zijn er veranderingen in de samenstelling van het oppervlaktewater vanwege regenval en andere invloeden.
Bij elke analyse van grondmonsters dient tevens een monster van het oppervlakte water gevoegd te worden (elke 4-6 weken).
Indien er op substraat wordt geteeld dient er bij elk monster een monster van het oppervlakte water gevoegd te worden(elke 2-3 weken).
Oppervlaktewater
Andere typen water (leidingwater, ontzout water, etc.)
De frequentie is afhankelijk van de EC en pH metingen die de tuinder zelf dient uit te voeren, Minimaal 2-3 maal per jaar.
Elke 2-4 weken gedurende de teelt.
Geen speciale frequentie. Het is zeker nuttig om regelmatig een preventieve controle van de voedingsoplossing te doen.